Mijn
oma werd in 1926 als Joods-Oekraïens meisje geboren nabij Charkov in
het oosten van de Oekraïne. Op haar veertiende brak de Tweede
Wereldoorlog uit en dook ze onder bij vrienden. Ze miste haar vader
en broertje echter zo erg, dat ze op een dag in 1941 het
onderduikadres heeft verlaten en een poging heeft gedaan om haar
ouderlijk huis te bereiken. Helaas werd ze onderweg opgepakt door
Duitse soldaten en net zoals veel jonge meisjes uit de Sovjet Unie
naar Duitsland getransporteerd. Haar moeder was weliswaar een jodin
en daarmee zij ook, maar hun achternaam was Grinstein en stond in het
cyrillisch in haar paspoort. Gelukkig konden de Duitsers die haar
oppakten niet goed cyrillisch lezen en kon ze hen wijsmaken dat er
geen 'Grinstein' stond, maar 'Christen'. De Duitsers verzamelden
jonge slavische vrouwen om als slavenarbeiders te werk te stellen.
Mijn
oma werd te werk gesteld in een Gemeinschaftslager van de
Organisation Todt in Hamburg, in plaats van in een concentratiekamp
in Polen. Daar ontmoette ze mijn opa, een jongeman uit Groningen die
eveneens ondergedoken had gezeten vanwege de Arbeitseinsatz. Hij kon
het niet uithouden om tijdenlang in een kleine ruimte verstopt te
zitten zonder te weten wanneer die situatie zou eindigen - en was op
een verkeerd moment een luchtje gaan scheppen. Hij werd naar
strafkamp 'Erika' in Ommen gebracht, en van daaruit met de trein naar
Duitsland.
Omdat
hij werd vervoerd met een passagierstrein in plaats van een veewagon,
konden de ramen open en kon hij vrij gemakkelijk ontsnappen. Hij
bleek zich te bevinden in Hamburg en heeft zelf werk gevonden in een
liftenfabriek. Zijn werkgever vond voor hem onderdak in de Gemeinschaftslager
waar mijn oma verplicht de hele dag aardappels schilde.
Na
de oorlog zijn ze getrouwd, in Groningen gaan wonen en in 1947 werd
mijn vader geboren. Mijn oma heeft haar Oekraïense familie daarna
lang niet gezien, noch enig contact met ze gehad, totdat Stalin in 1953
overleed en contact weer mogelijk was . Na enige tijd was het ook
weer toegestaan om er naartoe te reizen.
Als
kleuter heb ik met mijn familie 6 weken in het huis van mijn
overgrootvader in de Oekraïne doorgebracht. Aangezien ik nog maar 5
jaar was, kan ik me veel dingen niet meer herinneren, althans niet
wat betreft de steden, dorpjes en kathedralen die we daar vooral
bezocht hebben. Maar het mooie van die leeftijd is dat gevoelens,
zowel van jezelf als die van anderen, nog veel meer op de voorgrond
staan dan het verstand.
De
emoties van mijn overgrootvader, de sfeer tussen familieleden onderling staan me dus
duidelijker voor de geest dan de vervelende en langdurige grens- en
politiecontroles die we hebben meegemaakt en waar de rest van de
familie het nog vaak over heeft. Het zijn meer bepaalde beelden die
me zijn bijgebleven; onafzienbare zonnebloemvelden, de zanderige
binnenplaats van het huis van mijn overgrootopa (die ik opa Rusland
noemde), mijn stiefovergrootmoeder in de zomerkeuken,

vrouwtjes
die kleine hoopjes huisvuil in brand staken buiten, de waterput en
mensen die met emmers water zeulden, de honderden kikkers in een
riviertje waarin we veel zwommen.
Overal
waar water was, waren zoveel kikkers, dat het onmogelijk was om op
een handdoek in het gras te gaan liggen zonder er een aantal te
pletten. Het was er die zomer meestal zo rond de 40 graden, dus we
verbrandden onmiddellijk tijdens het zwemmen en ik weet nog dat ik
het heel raar vond dat ik werd ingesmeerd met yoghurt – wat wel
degelijk een heel probaat middel tegen zonnebrand bleek te zijn.
Paddestoelen zoeken met mijn oma. Het prachtige groen-wittte kerkje
vlakbij het huis van mijn familie, die daar vlak voor de
communistische overheersing de mooiste iconen uit heeft meegenomen.
Ze hangen nu bij mijn ouders in de kamer, maar zouden inmiddels weer
teruggehangen kunnen worden.

Maar
vooral geuren zijn me goed bijgebleven, zowel in positieve als
negatieve zin.
De
geur van Oosteuropese toiletten zijn onbeschrijflijk. Ik ben die geur
daarna nooit en nergens meer tegengekomen. Achteraf, toen ik Midden-
en Oosteuropese culturen studeerde, leerde ik dat dat een reden
heeft. Een toilet (of, in het geval van mijn familie een houten
huisje in de tuin met een plank met een gat erin) is een plek waar je
je vervoegt voor onreine bezigheden, en waar je je daarom overigens
zo min mogelijk dient te vervoegen – ook niet voor de schoonmaak.
Heel begrijpelijk en ik heb een heel goed excuus voor het feit dat ik
er zelf zo'n hekel aan heb om het doucheputje schoon te maken – het
zit gewoon in de genen.
Overal
waren geuren, veel sterker dan hier (of dan nu?). Mijn familie is
nogal dol op stevige en langdurige omhelzingen, en ik kan me dus nog
herinneren hoe de verschillende soorten zweet van verschillende
familieleden rook. Het klinkt misschien raar in deze tijden van
deodoranten met 24 uurs protectie en een algeheel taboe op
lichaamsgeuren, maar nog steeds heb ik eigenlijk helemaal niet zo'n
hekel aan de meeste zweetgeuren.
Mijn
favoriete geurherinnering heb ik aan de moestuin. Ik was een verlegen
en overgevoelig kind, dat slecht tegen lawaai en drukte kon. Vooral
veel van mijn vrouwelijke Oekraïense familieleden hebben een schelle
stem en hun intonatie is anders. Het klinkt al snel als ruzie, als je
de taal niet kent. Dat, de vreugde en feestelijkheden vanwege het
weerzien, de grote hoeveelheden zelfgestookte wodka en de kater
daarna natuurlijk, zorgden voor de nodige drukte en stress.
Ik
trok mij dan graag terug, of op de hooizolder (waar het ook heerlijk
rook en wat een fantastische plek was om te spelen) of in de enorme
moestuin. Ik ging dan liggen, temidden van de papavers, tomaten- en
augurkenplanten, staarde naar de staalblauwe lucht en naar het
ooievaarsnest dat op een hoge paal boven de tuin uitstak. De
overheersende geur in de tuin was die van dille, gecombineerd met een
vleugje kamille. De hele tuin stond er vol mee. Het was paradijselijk
om daar te liggen, knabbelend aan een rauwe augurk of een
kamillebloem, in een tijdloze stilte die alleen werd afgewisseld door
het geklepper van de ooievaars.
Die
tijdloosheid, dat zorgeloos genot en vooral de enorme stilte en vrede
van die tuin, die zoek ik nog regelmatig in mezelf op in rusteloze
tijden. Als ik gek word van het lawaai in huis, van alle
verantwoordelijkheden, van mezelf, als de dingen troebel en lawaaiig
zijn geworden, als ik verliefd ben of juist boos – ook hier geef ik
graag de schuld aan mijn Slavische temperament.. Dan loop ik in
gedachten die tuin weer in, snuif de geur van dille op, ga liggen en
probeer weer één te worden met de heldere blauwe hemel.
